In het Latijn betekent ‘cunicularia’, de soortnaam van het konijnuiltje, ‘mijnwerker’. Hij dankt deze naam aan het feit dat konijnuiltjes vaak in holen onder de grond leven. Hij kan deze holen zelf maken, maar meestal pikt hij een hol in van een prairiehondje of van een ratelslang.
Konijnuiltjes komen voor in Noord-, Midden- en Zuid-Amerika en leven daar in groepen van ongeveer twaalf dieren, wat ongewoon is voor uilen. Tijdens het broeden, wat in het hol onder de grond gebeurt, blijft het konijnuilvrouwtje altijd op het nest met gemiddeld zeven eieren zitten. Het mannetje zorgt dan voor voedsel voor het vrouwtje.
Konijnuiltjes zweven tijdens het voedsel zoeken hoog boven een gebied. Ze kunnen hun vleugels asynchroon, niet tegelijk, bewegen. De ene vleugel kunnen ze omhoog doen, terwijl de andere naar beneden gaat. Het konijnuiltje pakt de prooi met zijn poten. Daarna neemt hij het in zijn bek verder mee.